Op 10 juni waren we weer in het ziekenhuis.
De afspraak stond om 10.50 uur en Michael ging natuurlijk met me mee.
We kregen een echo én een gesprek over andere dingen in de zwangerschap. De echo werd gedaan door de verloskunde-arts, en vanaf het begin werd er veel gepraat en toegelicht. Niet om iets te verbloemen, maar juist om ons mee te nemen. Ze keek met ons mee naar het scherm, legde uit wat ze zag en benoemde wat ze deed.
Ze was klein, dat bleef zo.
Maar ze was wel gegroeid en dat was heel belangrijk.
En ze groeide door in haar eigen groeicurve, maar haar eigen groeicurve was wel echt te klein.
Ik was opgelucht dat ze wel gewoon groeide, maar niet gerustgesteld op de manier waarop ik had gehoopt.
Ze zat nog rond P5, maar ze liep niet heel veel verder achter. Alles was in verhouding; het was niet zo dat één deel duidelijk kleiner was dan de rest. Dat gaf opluchting, al was het voorzichtig. Want ook al klonk dit goed, we wisten nog steeds niet precies wat dit betekende voor later.
Er werd gezegd dat er sprake was van FGR, foetale groeirestrictie. Ik voelde mijn schouders aanspannen toen ze het uitsprak, alsof mijn lichaam alvast reageerde. We kregen een uitgebreide uitleg, en dat ze dit goed wilde gaan monitoren.
Wat is FGR?
FGR staat voor Foetale Groeirestrictie. Het betekent dat een ongeboren baby in de baarmoeder niet zijn volledige groeipotentieel bereikt, vaak doordat de placenta niet optimaal functioneert. Hierdoor krijgt de baby minder voedingsstoffen en zuurstof dan nodig. Hoewel de termen FGR en IUGR vaak door elkaar worden gebruikt, wijzen ze allebei op hetzelfde: een groei die achterblijft en die door een verloskundige of gynaecoloog nauwlettend in de gaten moet worden gehouden met extra echo’s.

We kregen te horen dat we voorlopig geen zorgen hoefden te maken.
Wel moest ik opnieuw terugkomen, op 7 juli, voor een groeiecho met een doppler-meting. Daarbij wordt niet alleen gekeken hoe groot de baby is, maar ook hoe het bloed door de navelstreng en placenta stroomt, of zij voldoende zuurstof en voedingsstoffen krijgt. Er zat bijna een maand tussen, om te kijken hoe goed ze groeit moet er langer tussen zitten dan telkens een korte periode.
Zwangerschapsdiabetes?
Daarnaast kwam er nog meer ter sprake. Omdat mijn moeder zwangerschapsdiabetes had gehad, wilde de arts dat ik daar ook op getest zou worden. Niet omdat ze het verwachtte, juist niet omdat onze baby klein was, maar om het zeker te weten. Ook moest ik bloed laten prikken voor mijn bloedgroep, omdat ik een negatieve rhesusfactor heb.
Toen we weer naar buiten liepen, voelde het alsof we iets hadden gekregen, maar ook iets hadden ingeleverd. Opluchting, ja. Maar ook het besef dat dit nu een zwangerschap was die we in stukjes zouden volgen. Van echo naar echo. Van datum naar datum. En een medische diagnose voor de groeiachterstand, namelijk FGR (ook wel IUGR genoemd).
7 juli kwam erbij, als volgende halte.
En zo gingen we naar huis, met beelden van haar op het scherm, met nieuwe afspraken in de agenda, en met het idee dat het voorlopig oké was. Maar wel met duidelijke belinstructies. Minder leven voelen is direct bellen. Zeker bij een te kleine baby is het belangrijk dat je haar elke dag voelt, dus met duidelijke instructies gingen we naar huis.
We waren nog een paar dagen vrij, genoten van het vrij zijn en van het lekkere weer.
Die maandag, 16 juni, moest ik me weer in het ziekenhuis melden voor de OGTT, de test voor zwangerschapsdiabetes.